Europees Hof voor de Rechten van de Mens
33809/15
(Alam t. Denemarken) artikel 8 EVRM (recht op privéleven) – onontvankelijk – interne rechtsmiddelen niet uitgeput – verwijdering – permanent inreisverbod – kennelijk ongegrond – criminele feiten

In een beslissing van 29 juni 2017 verklaart het EHRM het verzoek van Mevrouw Alam, een Pakistaanse onderdaan, onontvankelijk deels wegens het niet uitputten van de interne rechtsmiddelen, deels omdat haar verzoek kennelijk ongegrond was. Mevrouw Alam heeft een permanent verblijfsrecht in Denemarken dat werd ingetrokken na een veroordeling tot een gevangenisstraf van 16 jaar. Na het uitzitten van haar gevangenisstraf zal ze het land worden uitgezet waarbij haar ook een levenslang inreisverbod wordt opgelegd.

 

Feiten: uitzetting en levenslang inreisverbod na uitzitten gevangenisstraf voor moord

 

Mevrouw Alam kwam als 2 jarig kind naar Denemarken en bouwde daar haar leven uit. Ze huwde met een Pakistaanse man met wie ze twee kinderen kreeg. Na een echtscheiding krijgt hij het hoederecht over de kinderen. Ze krijgt een relatie met een andere Pakistaanse man, die uiteindelijk met iemand anders huwt. Mevrouw Alam wordt veroordeeld voor de moord op die vrouw tot een gevangenisstraf van 16 jaar. Ze krijgt eveneens een uitzettingsbevel. In 2015, terwijl ze haar straf nog uitzit, huwt ze met een Deense man.

 

Geen schending artikel 8 EVRM: uitzetting dient een legitiem doel

 

Het EHRM stelt vast dat het uitzettingsbevel een inmenging vormt op het recht voor respect voor het privéleven, maar het EHRM stelt dat deze inmenging "in overeenstemming is met de wet" en een legitiem doel nastreeft, met name wanorde en criminaliteit voorkomen.

 

Het EHRM stelt bovendien dat de nationale rechtbanken een grondige beoordeling hebben gemaakt van de persoonlijke omstandigheden van mevrouw en de concurrerende belangen zorgvuldig heeft afgewogen. De nationale rechter hield hierbij rekening met de criteria ontwikkeld door het EHRM.

 

De Deense rechter hield rekening met de leeftijd van de kinderen en hield het in het licht van de duur van de gevangenisstraf van hun moeder. Zo zouden de kinderen respectievelijk in 2018 en 2022 meerderjarig worden, dit terwijl hun moeder maar zou vrijkomen in 2028. Zelf bij een voorwaardelijke vrijlating na 2/3 van haar straf zouden de kinderen reeds volwassen zijn. Mocht zij al vrijkomen na de helft van haar straf dan zou de jongste al 16 zijn. Het uitzettingsbevel heeft enkel betrekking op mevrouw Alam en niet op haar kinderen. Mocht hun verblijf ooit op het spel staan door de uitzetting van mevrouw dan zouden zij dit kunnen aanvechten. Ze hebben dus interne rechtsmiddelen ter beschikking om hun recht op privé- en gezinsleven te doen gelden.

 

Het EHRM oordeelt dan ook dat de afweging van de nationale rechter noch arbitrair, noch kennelijk onredelijk was. Het EHRM verklaarde het deel van de klacht dat betrekking heeft op een mogelijke scheiding van haar kinderen dan ook kennelijk ongegrond.

 

Wat betreft het huwelijk met de Deense burger, stelt het EHRM dat dit heeft plaatsgevonden na het definitief worden van haar uitzettingsbevel. Het familieleven kwam dus tot stand op een moment dat beide personen zich bewust waren van de migratiestatus van één van hen, waardoor ze wisten dat hun familieleven in Denemarken precair zou zijn. Ze had dit bovendien niet ingeroepen voor de nationale rechter. Bijgevolg verwerpt het EHRM dit deel van het verzoek wegens het niet uitputten van de interne rechtsmiddelen.