Grondwettelijk Hof
9/2017
Sociale zekerheid - Maatschappelijke zekerheid der arbeiders - Buitenlandse werknemer - Voorwaarden om toegelaten te worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen - Bijkomende voorwaarde enkel opgelegd aan vreemdelingen - Noodzaak van een bilaterale of een internationale overeenkomst voor de toepassing van het recht op uitkeringen ingevolge de beëindiging van studies

B.2. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 7, § 14, vierde lid, van de voormelde besluitwet met de artikelen 10, 11, 16, 23 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van dat Verdrag. In de prejudiciële vraag worden de Belgische en buitenlandse gerechtigden op een inschakelingsuitkering vergeleken met de vreemdelingen die onderdanen zijn van landen waarmee België geen internationale overeenkomst van sociale zekerheid heeft gesloten of die niet tot de categorie van de bevoorrechte vreemdelingen behoren, aangezien die laatsten die uitkering niet genieten, ook al vervullen zij alle andere voorwaarden voor de toekenning ervan.

 

Volgens de verwijzende rechter is het verschil in behandeling uitsluitend gebaseerd op de nationaliteitsvoorwaarde, bij gebrek aan enige overweging die de weigering zou kunnen verantwoorden.

 

Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat de eiseres voor de verwijzende rechter, die een inschakelingsuitkering wenst te krijgen, maatschappelijke dienstverlening geniet die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna : OCMW) is toegekend.

 

Het Hof beperkt het onderzoek van de prejudiciële vraag tot het geschil zoals het aan de verwijzende rechter is voorgelegd.

 

(…)

 

B.6.1. Krachtens artikel 7, § 14, vierde lid, van de in het geding zijnde besluitwet van 28 december 1944 wordt de inschakelingsuitkering enkel aan een vreemdeling betaald indien hij de nationaliteit heeft van een land waarmee België een wederkerigheidsovereenkomst heeft gesloten, indien hij een erkende vluchteling is of indien hij behoort tot de onderdanen van de landen die zijn opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.

 

B.6.2. De eigen finaliteit van de werkloosheidswetgeving belet niet dat de wetgever vanuit een bezorgdheid om het socialezekerheidssysteem rechtvaardig en betaalbaar te houden, daarin in het bijzonder met betrekking tot de inschakelingsuitkeringen in afwijkingen mag voorzien.

 

In tegenstelling tot de werkloosheidsuitkeringen, die een vervangingsinkomen vormen, zijn de inschakelingsuitkeringen immers bestemd om een tijdelijk inkomen toe te kennen aan gerechtigden die nooit hebben gewerkt of die onvoldoende hebben gewerkt. Bovendien wijkt de toekenning van inschakelingsuitkeringen af van het verzekeringsbeginsel waarop de werkloosheidsverzekering steunt, aangezien de inschakelingsuitkeringen worden gestort aan rechthebbende jongeren die nooit hebben bijgedragen of onvoldoende hebben bijgedragen aan de sociale zekerheid van de werknemers.

 

B.6.3. Wat betreft de uitsluiting van het voordeel van de inschakelingsuitkeringen voor de vreemdelingen die zich niet in een van de in B.1.1 vermelde voorwaarden bevinden, is in een dergelijke uitsluiting voorzien bij artikel 68 van het Verdrag nr. 102 van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna : IAO-Verdrag) van 1952 betreffende de sociale zekerheid, dat bepaalt :

« 1. De verblijvende personen die geen onderdanen zijn moeten dezelfde rechten hebben als de verblijvende personen die onderdanen zijn. Wat de uitkeringen of de gedeelten van uitkeringen aangaat welke uitsluitend of overwegend door openbare fondsen worden gefinancierd en wat de overgangsstelsels aangaat, mogen er evenwel bijzondere bepalingen ten opzichte van de niet-onderdanen en ten opzichte van de onderdanen die buiten het grondgebied van het Lid geboren zijn, voorgeschreven worden.

2. In de stelsels van sociale zekerheid waarvoor er bijdragen moeten betaald worden en waarvan de bescherming op de loonarbeiders van toepassing is, moeten de beschermde personen die onderdanen zijn van een ander Lid dat de verplichtingen aanvaard heeft welke voortvloeien uit het overeenstemmend Deel van het Verdrag, ten opzichte van dit Deel, dezelfde rechten hebben als de onderdanen van het betrokken Lid. De toepassing van deze paragraaf zal evenwel kunnen afhangen van het bestaan van een bilateraal of multilateraal akkoord waarbij een wederkerigheid voorzien wordt ».

 

Artikel 69 van hetzelfde Verdrag bepaalt bovendien :

« Een verstrekking waarop een beschermde persoon zou recht hebben gehad in toepassing van om het even welke der Delen II tot X van dit Verdrag, kan geschorst worden in een mate welke kan voorgeschreven worden :

[…];

b) zolang er in het onderhoud van de betrokkene voorzien wordt met openbare fondsen of ten koste van een instelling of van een dienst voor sociale zekerheid; zo de verstrekking de kosten van dit onderhoud te boven gaat, moet het verschil toegekend worden aan de personen die ten laste van de gerechtigde zijn;

[…] ».

 

B.6.4. Ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel is het verschil in behandeling redelijk verantwoord en heeft het geen onevenredige gevolgen aangezien de eiseres voor de verwijzende rechter, die de inschakelingsuitkering te dezen niet kan genieten, de door het OCMW toegekende maatschappelijke dienstverlening geniet, een verstrekking die onder het toepassingsgebied van het voormelde artikel 69, b), van het IAO-Verdrag valt.

 

B.6.5. Ten slotte, rekening houdend met die elementen en met de financiële kosten van de inschakelingsuitkering, is het niet zonder redelijke verantwoording het voordeel daarvan uitsluitend te hebben voorbehouden aan de eigen onderdanen of aan onderdanen van landen waarmee een wederkerigheidsakkoord is gesloten.

 

B.7. In zoverre daarin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van hetzelfde Verdrag, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

 

B.8. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

 

De onteigening biedt de overheid de mogelijkheid om wegens redenen van algemeen nut de beschikking te krijgen over in beginsel onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van eigendomsoverdracht kunnen worden verworven.

 

De in het geding zijnde maatregel, in zoverre hij bepaalde categorieën van vreemdelingen weert van het voordeel van de inschakelingsuitkering, is geen eigendomsberoving zoals bedoeld in artikel 16 van de Grondwet.

 

B.9. Bovendien vloeit uit B.7 voort dat de in het geding zijnde bepaling niet onbestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zodat de prejudiciële vraag in dat opzicht ontkennend dient te worden beantwoord.