Hof van Justitie
C-391/16, C-77/17 en C-78/17
(M t. Ministerstvo vnitra en X. en X. t. Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asielbeleid – Internationale bescherming – Richtlijn 2011/95/EU – Vluchtelingenstatus – Artikel 14, leden 4 tot en met 6 – Weigering van verlening of intrekking van de vluchtelingenstatus wanneer er sprake is van een gevaar voor de veiligheid of de samenleving van de lidstaat van toevlucht – Geldigheid – Artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 78, lid 1, VWEU – Artikel 6, lid 3, VEU – Verdrag van Genève

De gevoegde zaken M. t. Ministerstvo vnitra en X. en X. t. Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gaan over een Tsjetsjeense, een Ivoriaanse en een Congolese onderdaan die respectievelijk de vluchtelingenstatus en de daarbij horende subsidiaire bescherming bezitten of de toekenning van de vluchtelingenstatus vragen op grond van gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging in de staat waarvan hij onderdaan is. De toekenning van de vluchtelingenstatus wordt in de drie zaken echter geweigerd of ingetrokken, omdat zij veroordeeld zijn voor het plegen van ernstige misdrijven zoals diefstal en afpersing, toedienen van opzettelijke slagen en verwondingen, bezit van verboden wapen en verkrachting van een minderjarige, en moord en diefstal met verzwarende omstandigheden. In deze drie zaken vragen de verwijzende rechters of de weigering of de intrekking van de vluchtelingenstatus en de uitsluiting van subsidiaire bescherming naar aanleiding van gepleegde misdrijven op grond van art. 14 Richtlijn 2011/95 in overeenstemming is met art. 18 EU-Handvest en art. 78, lid 1, VWEU, in welke bepalingen wordt verwezen naar het Verdrag van Genève.

 

Eerst en vooral behandelde het Hof zijn bevoegdheid in deze gevoegde zaken, die betwist werd omdat de beantwoording van de prejudiciële vragen betrekking heeft op de uitlegging van het Verdrag van Genève. Het Hof besliste echter dat het bevoegd is om te prejudiciële vragen in het kader van deze procedure te beantwoorden. De handelingen gesteld door de EU-instellingen moeten volledig in overeenstemming zijn met de EU-Verdragen, de constitutionele beginselen en het EU-Handvest. Overeenkomstig art. 19, lid 3, VEU is het Hof bevoegd om uitspraak te doen over de naleving hiervan. Aangezien art. 78, lid 1, VWEU en art. 18 EU-Handvest bepalen dat de voorschriften van het Verdrag van Genève in acht moeten genomen worden, komt het aan het Hof bijgevolg toe om na te gaan of art. 14 Richtlijn 2011/95 vanuit het oogpunt van art. art. 78, lid 1, VWEU en art. 18 EU-Handvest de voorschriften van het Verdrag van Genève in acht neemt.

 

Vervolgens onderzocht het Hof of art. 14, leden 4 tot en met 6, Richtlijn 2011/95 geen afbreuk doet aan het door de voorschriften van het Verdrag van Genève gewaarborgde beschermingsniveau. Daarbij merkte het Hof vooreerst op dat Richtlijn 2011/95 een normatief stelsel vastlegt dat eigen is aan de EU, maar dat gebaseerd is op het Verdrag van Genève en dat dit Verdrag ten volle in acht wordt genomen. Het Hof redeneerde dat niettegenstaande het onderscheid tussen vluchteling en vluchtelingenstatus in Richtlijn 2011/95, de hoedanigheid van vluchteling niet afhangt van de formele erkenning ervan door verlening van de vluchtelingenstatus, gelet op de identieke definitie van vluchteling in art. 2, onder d), Richtlijn 2011/95 en art. 1, afdeling A, lid 2, Verdrag van Genève.

 

Tot slot ging het Hof na of de gevallen waarin de lidstaten de vluchtelingenstatus kunnen intrekken of weigeren om de status te verlenen overeenkomstig Richtlijn 2011/95 overeenkomen met die voorzien in het Verdrag van Genève. Wat betreft de gronden opgesomd in art. 14, leden 4 en 5, Richtlijn 2011/95 overweegt het Hof enerzijds dat het EU-recht een ruimere internationale bescherming biedt dan het Verdrag van Genève. Intrekking van de vluchtelingenstatus op grond van Richtlijn 2011/95 leidt slechts tot het verlies van de vluchtelingenstatus, terwijl toepassing van het Verdrag van Genève ertoe zal leiden dat de betrokkene teruggeleid wordt naar het land waar zijn leven of vrijheid gevaar zou lopen. Anderzijds bemerkt het Hof dat de situaties bedoeld in art. 14, leden 4 en 5, Richtlijn 2011/95 er niet toe leiden dat de betrokkene de hoedanigheid als vluchteling verliest, met als gevolg dat de betrokkene nog steeds geniet van de bescherming voorzien in het Verdrag van Genève overeenkomstig art. 14, lid 6, Richtlijn 2011/95. Wat betreft art. 14, lid 6, Richtlijn 2011/95 verduidelijkt het Hof dat dit artikel, gelet op de doelstellingen van de handeling, in cumulatieve zin moet worden opgevat. Dit houdt in dat wanneer de betrokkene zich in een situatie overeenkomstig art. 14, lid 4 of 5, Richtlijn 2011/95 bevindt, de lidstaten de rechten voortvloeiend uit art. 14, lid 6, Richtlijn 2011/95 en de rechten die voorvloeien uit het Verdrag van Genève waarvoor geen rechtmatig verblijf is vereist moeten toekennen. Bovendien moeten de lidstaten bij het uitoefenen van de bevoegdheid vervat in art. 14 Richtlijn 2011/95 ook de relevante bepalingen van het EU-Handvest naleven, zoals bijvoorbeeld art. 7 EU-Handvest dat voorziet in de eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven.

 

Op basis van het voorgaande kwam het Hof tot het besluit dat art. 14, leden 4 tot en met 6, Richtlijn 2011/95 in overeenstemming is met art. 78, lid 1, VWEU en art. 18 EU-Handvest en het beschermingsniveau zoals vastgelegd in het Verdrag van Genève.