Hof van Justitie
C-125/16
(Malta Dental Technologists Association, John Salomone Reynaud t. Superintendent tas-Saħħa Pubblika, Kunsill tal-Professjonijiet Kumplimentari għall-Mediċina) Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2005/36/EG – Erkenning van beroepskwalificaties – Tandprothetici – Voorwaarden voor uitoefening van het beroep in de ontvangende lidstaat – Vereiste van verplichte tussenkomst van een beoefenaar van de tandheelkunde – Toepassing van dit vereiste jegens klinische tandprothetici die hun beroep in de lidstaat van oorsprong uitoefenen – Artikel 49 VWEU – Vrijheid van vestiging – Beperking – Rechtvaardiging – Doelstelling van algemeen belang erin bestaande de bescherming van de volksgezondheid te verzekeren – Evenredigheid

De zaak is geïnitieerd door de Maltese vereniging voor tandprothetici (MDTA) met het oog op de erkenning van de beroepskwalificaties van klinische tandprothetici (KTP’s) uit de EU. Een klinische tandprotheticus is een paramedisch beroep en ingevolge artikel 25 lid 1 van de Maltese wet inzake beroepen in de gezondheidszorg mag dit beroep alleen uitgeoefend worden als de betreffende paramedicus in het register voor paramedici is opgenomen. In bijlage III bij deze wet, die een opsomming van de paramedische beroepen bevat, wordt het beroep van tandprotheticus wel vermeld, maar niet dat van klinisch tandprotheticus. De MDTA heeft de verwijzende rechter verzocht om de Maltese raad voor paramedische beroepen (RPB) te gelasten om de in andere lidstaten erkende KTP’s in Malta te registreren. Het tweede deel van de zaak draait om het vereiste dat tandprothetici alleen patiënten mogen behandelen die door een beoefenaar van de tandheelkunde naar hen is doorverwezen. De MDTA heeft de verwijzende rechter verzocht om deze voorwaarde voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid niet van toepassing te verklaren voor de werkzaamheden van KTP’s. De verwijzende rechter stelt vragen over de verenigbaarheid van de Maltese regeling met Richtlijn 2005/36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (nu: Richtlijn 2013/55) en met de verdragsbepalingen die betrekking hebben op het vrij verkeer van vestiging en diensten in de EU.

 

Richtlijn 2005/36 heeft betrekking op de toegang tot gereglementeerde beroepen. Volgens artikel 3 van de richtlijn is een ‘gereglementeerd beroep’ een werkzaamheid waarvan de uitoefening afhankelijk is gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties. Een ‘bepaalde beroepskwalificatie’ kan om het even welke kwalificatie zijn die overeenstemt met een opleidingstitel die erop gericht is om de houders ervan voor te bereiden op een bepaald beroep. Als in een ontvangende lidstaat de toegang tot een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van bepaalde beroepskwalificaties, dan moet de bevoegde autoriteit dezelfde voorwaarden toepassen op aanvragers voor registratie die hun kwalificatie in een andere lidstaat behaald hebben. Het moet dan gaan om een kwalificatie voor een beroep dat gelijksoortig of gelijkwaardig is aan het beroep dat is gereglementeerd in de ontvangende lidstaat.

De verwijzende rechter moet onderzoeken of de beroepen van tandprotheticus en KTP gelijkwaardig zijn en in dat geval moet de beroepskwalificatie erkend worden. In dat geval moeten de KTP’s ingeschreven worden in het register voor tandprothetici, zodat zij hun beroep in Malta kunnen uitoefenen. Het maakt daarvoor niet uit dat de door de lidstaat van oorsprong vereiste kwalificaties van een KTP verder gaan dan de kwalificaties die worden verlangd van een tandprotheticus in de ontvangende staat.

 

Het Hof van Justitie vervolgt met de beoordeling van het vereiste dat tandprothetici in Malta hun werkzaamheden alleen kunnen uitoefenen na tussenkomst door een beoefenaar van de tandheelkunde. Uit artikel 4 van richtlijn 2005/36 volgt dat lidstaten de voorwaarden voor de uitoefening van een gereglementeerd beroep zelf mogen vaststellen. Uit artikel 168, lid 7 VWEU volgt, voorts, dat het recht van de Unie geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om maatregelen treffen om de gezondheidszorg te organiseren. Voorwaarde voor de uitoefening van deze bevoegdheid is echter wel dat de nationale maatregelen het Unierecht voldoende in acht nemen en geen afbreuk doen aan de fundamentele vrijheden. In dat licht overweegt het Hof dat het vereiste van verplichte tussenkomst door  een beoefenaar van de tandheelkunde de uitoefening van de door artikel 49 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging voor KTP’s minder aantrekkelijk kan maken. Malta rechtvaardigt deze mogelijke beperking van het vrij verkeer met een beroep op bescherming van de volksgezondheid. Het Hof van Justitie acht deze rechtvaardigingsgrond in overeenstemming met het Europese recht, mits de nationale regeling evenredig is. Voor de beoordeling daarvan moet er rekening mee gehouden worden dat de gezondheid en het leven van personen de eerste plaats inneemt onder de belangen die door het VWEU beschermd worden en dat de lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid genieten om te bepalen op welke manier en op welk niveau zij de volksgezondheid wensen te verzekeren. Alle omstandigheden in acht genomen, concludeert het Hof van Justitie dat het vereiste van de verplichte tussenkomst van een beoefenaar van de tandheelkunde geschikt is om het doel van bescherming van de volksgezondheid te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.