Hof van Justitie
C-640/15
(Tomas Vilkas) Prejudiciële verwijzing – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel – Artikel 23 – Termijn voor de overlevering van de gezochte persoon – Mogelijkheid tot herhaaldelijke vaststelling van een nieuwe datum voor de overlevering – Verzet door de gezochte persoon tegen zijn overlevering – Overmacht

Tegen de heer Vilkas zijn twee Europese aanhoudingsbevelen uitgevaardigd door een Litouwse rechterlijke instantie. De Ierse autoriteiten hebben gepoogd de heer Vilkas over te leveren via een commerciële vlucht, maar dit is tot twee maal toe mislukt door het verzet van de betrokkene.

 

De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie of artikel 23 van het kaderbesluit zich ertegen verzet dat een derde datum voor overlevering wordt vastgesteld, wanneer het herhaaldelijke verzet door de gezochte persoon verhindert dat overlevering plaatsvindt binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de tweede daarvoor vastgestelde datum.

 

Het Hof merkt op dat artikel 15, lid 1, van het kaderbesluit[1] bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit over de overlevering van de gezochte persoon beslist “binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld”. Volgens artikel 23, lid 2, van het kaderbesluit, wordt de gezochte persoon niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel overgeleverd.

 

Niettemin gelden er bepaalde uitzonderingen op deze regel, die toelaten dat een nieuwe datum voor de overlevering wordt vastgesteld, en dat de overlevering van de gezochte persoon plaatsvindt binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum. Dit geldt met name, volgens artikel 23, lid 3, indien de gezochte persoon door omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat niet binnen de in artikel 23, lid 2, van het kaderbesluit gestelde termijn kan worden overgeleverd.

 

De verwijzende rechter merkt echter op dat de vraag in het hoofdgeding betrekking heeft op een derde datum voor overlevering. Volgens het Hof is de uitzondering uit artikel 23, lid 3 van het kaderbesluit ook in een dergelijk geval van toepassing. Anders zou de betrokken persoon in een situatie zoals in het hoofdgeding immers in vrijheid moeten worden gesteld, hetgeen afbreuk zou doe aan de doeltreffendheid van de in het kaderbesluit voorziene procedures.

 

Volgens het Hof moet het begrip “omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat” in de zin van artikel 23, lid 3, van het kaderbesluit eng worden uitgelegd. Het Hof oordeelt dat het feit dat sommige gezochte personen zich verzetten tegen hun overlevering, in beginsel niet als een onvoorziene omstandigheid kan worden aangemerkt, zeker wanneer de betrokken persoon zich in het verleden reeds tegen de uitlevering heeft verzet. Bovendien kan een dergelijke omstandigheid in beginsel worden vermeden door de betrokken autoriteiten, die immers bepaalde dwangmaatregelen kunnen gebruiken, of transportmiddelen kunnen inzitten waarvan het gebruik niet doeltreffend door het verzet van de gezochte persoon kan worden verhinderd.

 

Het Hof besluit dan ook dat de uitzonderingsgrond uit artikel 23, lid 3, van het kaderbesluit enkel van toepassing is indien, wegens uitzonderlijke omstandigheden, op objectieve wijze blijkt dat het verzet door de gezochte persoon tegen zijn overlevering voor de betrokken autoriteiten niet voorzienbaar was, en dat de gevolgen van dat verzet ondanks alle door deze autoriteiten genomen voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden. Het eindoordeel hierover komt toe aan de nationale rechter.

 

Het Hof verduidelijkt nog dat, indien de nationale rechter oordeelt dat er geen sprake is van “omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat” in de zin van artikel 23, lid 3, dit niet automatisch voor gevolg heeft dat de nationale autoriteiten niet langer verplicht zijn om een nieuwe datum voor overlevering vast te stellen, omdat de in artikel 23 van het kaderbesluit bepaalde termijnen zijn verstreken. Deze autoriteiten zijn in dergelijke omstandigheden nog steeds verplicht een nieuwe datum voor overlevering vast te stellen. In een dergelijke situatie vloeit uit artikel 23, lid 5, van het kaderbesluit echter voort dat door het verstrijken van de in dat artikel bepaalde termijnen, de gezochte persoon in vrijheid moet worden gesteld indien hij nog steeds in hechtenis verkeert.




[1] Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24).