Hof van Justitie
C-573/14
(Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen t. Mostafa Lounani) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asiel – Richtlijn 2004/83/EG – Minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling – Artikel 12, lid 2, onder c), en artikel 12, lid 3 – Uitsluiting van de vluchtelingenstatus – Begrip ,handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties’ – Draagwijdte – Leidinggevend lid van een terroristische organisatie – Strafrechtelijke veroordeling wegens deelneming aan de activiteiten van een terroristische groep – Individueel onderzoek

Lounani is een Marrokaans staatsburger die door de correctionele rechtbank Brussel werd veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens deelneming als leidinggevend lid aan de activiteiten van een terroristische groep, bendevorming, valsheid in geschriften en gebruik van valse documenten en onrechtmatig verblijf. Hij had zich volgens de correctionele rechtbank in het bijzonder schuldig gemaakt aan logistieke steun en vervalsing van paspoorten. 

 

Lounani’s asielaanvraag werd door het CGVS afgewezen. Daarentegen oordeelde de Raad voor Vreemdelingenbetwisting in hoger beroep dat geen van de daden waarvoor Lounani was veroordeeld, voldoende ernstig was om te worden aangemerkt als een “handeling welke in strijd is met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties” in de zin van artikel 12, lid 2, onder c), van richtlijn 2004/83[1]. Zij heeft dan ook aan Lounani de vluchtelingenstatus toegekend. Het CGVS heeft tegen dit arrest een administratief beroep in cassatie ingesteld bij de Raad van State.

 

De Raad van State vraagt het Hof van Justitie, in de eerste plaats, of de uitsluitingsgrond voorzien in artikel 12, lid 2, onder c), van richtlijn 2004/83 alleen van toepassing is indien de persoon die om internationale bescherming verzoekt, is veroordeeld wegens een van de terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/475[2].

 

Het Hof oordeelt dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het merkt op dat artikel 12, lid 2, onder c), van richtlijn 2004/83 overeenkomt met artikel 1, afdeling F, onder c), van het Verdrag van Genève. Dat artikel bepaalt de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties. Dergelijke handelingen zijn onder andere neergelegd in de resoluties van de Verenigde Naties betreffende maatregelen ter bestrijding van het terrorisme.

 

In dit verband verwijst het Hof onder meer naar resolutie 1377 (2001) van de Veiligheidsraad, waaruit blijkt dat niet alleen “daden van internationaal terrorisme” in strijd zijn met de in het Handvest van de Verenigde Naties genoemde doelstellingen en beginselen, maar ook “het financieren, plannen en voorbereiden van die daden, alsmede elke andere vorm van ondersteuning daarvan”.

 

Het Hof leidt hieruit af dat het begrip “handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties” niet beperkt is tot het plegen van terroristische daden zoals die nader worden omschreven in de resoluties van de Veiligheidsraad. A fortiori is dit begrip niet beperkt tot de in artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/475 bedoelde terroristische misdrijven.

 

In de tweede plaats vraag de Raad van State of de uitsluitingsgrond uit artikel 12, lid 2, onder c), en artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/83 ook betrekking heeft op de deelneming aan de activiteiten van een terroristische groep, ook al heeft de betrokkene geen terroristische daad gepleegd noch daartoe een poging ondernomen of daarmee gedreigd.

 

Ook deze vraag moet volgens het Hof ontkennend worden beantwoord. In dit verband merkt het Hof op dat uit de relevante resoluties van de Veiligheidsraad blijkt dat het begrip “handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties” niet beperkt is tot terroristische daden. Deze resoluties verplichten staten ook om ervoor te zorgen dat het werven, vervoeren of uitrusten van, of het verzorgen van de organisatie voor, personen die zich – onder meer met het oogmerk om terroristische daden te plegen, te plannen of voor te bereiden – begeven naar een andere staat dan de staat waar zij wonen of waarvan zij de nationaliteit hebben, wordt voorkomen en bestreden.

 

De concrete beoordeling van de zaak in het hoofdgeding wordt overgelaten aan de nationale rechter. In dit verband geeft het Hof mee dat het van belang is dat Lounani een leidinggevend lid was van een terroristische groep met een internationale dimensie die op is geplaatst op de lijst van de Verenigde Naties en dat de activiteiten van Lounani een internationale dimensie hebben, aangezien hij betrokken was bij de vervalsing van paspoorten en vrijwilligers heeft geholpen die zich naar Irak wilden begeven. Ook het feit dat Lounani reeds definitief veroordeeld was wegens deelneming aan de activiteiten van een terroristische groep is relevant volgens het Hof.

 

Daarentegen is niet relevant dat de groep waarvan Lounani lid was geen terroristische daden heeft gepleegd. Evenmin is relevant dat Lounani geen terroristisch misdrijf in de zin van artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/475 heeft gepleegd, noch daartoe een poging heeft ondernomen of daarmee heeft gedreigd.




[1] Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12, met rectificatie in PB 2005, L 204, blz. 24).

[2] Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (PB 2002, L 164, blz. 3).