14 juli 2017

De Raad van State wijzigt zijn rechtspraak in een cassatie-arrest van 11 mei 2017 (RvS nr. 238.170). Als Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) een beslissing neemt waartegen een automatisch schorsend beroep mogelijk is, mag die beslissing niet gepaard gaan met een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) als het BGV zou steunen op dezelfde feiten die geleid hebben tot de beslissing waartegen het schorsend beroep openstaat.

Onder meer de bijlagen 20 en 21 zouden in de meeste gevallen dus niet meer gepaard kunnen gaan met een BGV. Mogelijk heeft dat ook gevolgen voor het wettig verblijf en de inschrijving met een bijlage 35. Het is nog niet duidelijk of en hoe DVZ zijn praktijk zal aanpassen.

Automatisch schorsende beroepen

Artikel 39/79 van de Verblijfswet (Vw) somt een aantal beslissingen op waartegen een automatisch schorsend beroep openstaat. Het gaat onder meer om:

  • de weigering en beëindiging van een verblijf op basis van gezinshereniging
  • de weigering en beëindiging van verblijf van Unieburgers die zich beroepen op het vrij personenverkeer
  • de weigering van een verblijf aan een buitenlands student.

Het automatisch schorsend karakter van het beroep betekent dat tijdens de beroepstermijn (= tot 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing) en tijdens de termijn van de behandeling van het beroep geen enkele uitwijzingsbeslissing gedwongen uitgevoerd mag worden. Maar het houdt ook in dat er tijdens deze periode geen uitwijzingsbeslissing genomen mag worden “wegens feiten die aanleiding hebben gegeven tot de beslissing waartegen dat beroep is ingediend” (art. 39/79 §1, eerste lid Vw).

Praktijk DVZ

Het verbod om een uitwijzingsbeslissing te nemen staat haaks op het beleid van DVZ om gelijktijdig met beslissingen tot weigering of beëindiging van verblijf (opgesomd in art. 39/79 §1, tweede lid Vw) een BGV af te geven. Dat beleid is gebaseerd op artikel 7 Vw dat de minister of zijn gemachtigde verplicht een BGV af te leveren aan een vreemdeling in onwettig verblijf.

De RvS neemt afstand van die zienswijze en stelt dat deze vreemdelingen niet onwettig op het grondgebied verblijven, omdat artikel 39/79 Vw niet toelaat om een uitwijzingsbeslissing te nemen tijdens de beroepstermijn. Het verblijf kan bijgevolg niet onwettig zijn. Hiermee komt de RvS terug op zijn oude rechtspraak dat DVZ na dergelijke beslissingen wél een BGV moet afgeven op basis van artikel 7 Vw (zie onder meer RvS 25 mei 2009, nr. 193.489; RvS 18 mei 2009, nr. 193.380 en RvS 9 maart 2012, nr. 218.403).

Gevolgen? 

  • In zijn arrest herhaalt de RvS dat een verblijf gedekt door een bijlage 35 (document dat afgeleverd wordt tijdens de automatisch schorsende beroepsprocedure) geen onwettig verblijf is (zie ook RvS 25 november 2014, nr. 229.317). Ook het Hof van Cassatie bevestigt dat (HvC 26 april 2017, nr. P.17.0375.F/1). Dit werd de laatste jaren nochtans in twijfel gebracht. In een omzendbrief van 30 augustus 2013, die nog steeds van kracht is, vraagt DVZ aan gemeenten om vreemdelingen te schrappen uit het vreemdelingenregister of bevolkingsregister zodra DVZ een negatieve verblijfsbeslissing neemt, ook als er nog een schorsend beroep mogelijk is (met bijlage 35). Volgens DVZ schorst dat beroep de negatieve verblijfsbeslissing immers niet, het zorgt er enkel voor dat een uitwijzingsbeslissing (tijdelijk) niet gedwongen uitgevoerd kan worden. Deze zienswijze van DVZ, beschreven in de omzendbrief van 30 augustus 2013, is moeilijk te verzoenen met de rechtspraak van de RvS en het HvC.
  • Het is momenteel nog niet duidelijk of DVZ het arrest van de RvS zal volgen. En of de bijlagen 20 en 21 en andere bijlagen nog gepaard zullen gaan met een BGV. We berichten hierover van zodra we meer weten.