15 maart 2017

Het Brusselse Arbeidshof bevestigt de visie van het Federaal Agentschap voor Kinderbijslag (FAMIFED) dat vreemdelingen met een attest van immatriculatie (AI) geen recht hebben op gewaarborgde gezinsbijslag. Dit blijkt uit het arrest nr 2015/AB/867 van 12 januari 2017.

Gewijzigde interpretatie van de Wet gewaarborgde gezinsbijslag

In 2014 wijzigde FAMIFED haar interpretatie van de Wet gewaarborgde gezinsbijslag. Om recht te hebben op gewaarborgde gezinsbijslag, vereist de wet onder andere dat vreemdelingen:

  • voorafgaand aan de aanvraag, een aantal jaren werkelijk en ononderbroken verbleven hebben in België (de wet vereist vijf jaar, maar een omzendbrief bracht dat terug tot vier jaar);
  • en op het moment van de aanvraag, toegelaten of gemachtigd zijn om in België te verblijven of zich er te vestigen.

FAMIFED meent sinds 2014 dat een AI niet het bewijs levert van een “toelating of machtiging tot verblijf” in de zin van de Verblijfswet. Zij kwam terug op haar eerdere standpunt, waarbij een AI wel aanvaard werd als bewijs van toelating of machtiging tot verblijf. Lees hierover meer in ons Nieuwsbericht van 9 juli 2014: Geen gewaarborgde gezinsbijslag meer met attest van immatriculatie.

De redenering van het Brusselse Arbeidshof

Het onderwerp van het geding was of vreemdelingen die een AI hebben op basis van een ontvankelijk verklaarde 9ter-aanvraag voldoen aan de voorwaarde van artikel 1, 8ste lid van de Wet gewaarborgde gezinsbijslag. Dit artikel stelt dat de vreemdeling die de gewaarborgde gezinsbijslag aanvraagt, moet toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven of zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de Verblijfswet. Het Brusselse Arbeidshof oordeelde dat een AI op basis van een ontvankelijke 9ter-aanvraag hier niet onder valt.

Het Arbeidshof baseert zich hiervoor grotendeels op de volgende elementen:

  1. Rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (GwH), meer bepaald de arresten nr. 110/2006 van 28 juni 2006 en nr. 1/2012 van 11 januari 2012, stelt dat het niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel om van de aanvrager een voldoende band met België te eisen, in het bijzonder een regelmatig verblijf of een toelating of machtiging tot verblijf, om te kunnen genieten van de gewaarborgde gezinsbijslag.
  2. De Verblijfswet noch het Verblijfsbesluit kent expliciet een verblijfsrecht toe op basis van een ontvankelijk verklaarde 9ter-aanvraag. Het AI dat wordt toegekend volgt uit artikel 7, 2de lid van het KB van 17 mei 2007.
  3. Arrest nr. 221.518 van de Raad van State (RvS) stelt dat het een AI op basis van een ontvankelijk verklaarde 9ter-aanvraag niet kan beschouwen als een toelating of machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden.
  4. De Wet gewaarborgde gezinsbijslag heeft een bijzonder karakter in de zin dat die geen sociaal zekerheidsrecht instelt maar een residuair stelsel, voorbehouden aan personen die een duidelijke, blijvende of langdurige binding hebben met België. Het is volgens het Arbeidshof niet aannemelijk dat de wetgever een recht op gewaarborgde gezinsbijslag zou hebben willen toekennen aan vreemdelingen zonder dat zij een toelating of machtiging zouden hebben die hen het recht geeft om gedurende een langere termijn op het grondgebied te verblijven.
  5. Rechtspraak van het Hof van Cassatie (HvC) (het Brusselse Arbeidshof vermeldt arrest S.95.018N van 13 mei 1996, maar doelt waarschijnlijk op arrest S.95.0118.N) zou uitgesloten hebben dat asielzoekers die in het wachtregister ingeschreven zijn, recht zouden hebben op gewaarborgde gezinsbijslag.

Kritische noot bij het arrest

Wij nuanceren hieronder verschillende elementen die het Brusselse Arbeidshof aanhaalt in haar arrest.

  1. Het Arbeidshof verwijst naar arresten nr. 110/2006 en nr. 1/2012 van het GwH. Deze stellen effectief dat de wetgever een regelmatig verblijf kan eisen om recht te hebben op de gewaarborgde gezinsbijslag. Het GwH sprak zich in dit geval echter uit over het regelmatig verblijf, tegengesteld aan een irregulier verblijf van vreemdelingen zonder wettig verblijf. Vreemdelingen met een AI verblijven in die zin regelmatig in België. Zij zijn niet zonder wettig verblijf.
  2. Het AI wordt toegekend aan een vreemdeling op basis van een ontvankelijk verklaarde 9ter-aanvraag. Dit is voorzien in artikel 7, 2de lid van het KB van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Verblijfswet van 15 december 1980. Dat spreekt het argument tegen van het Brusselse Arbeidshof dat noch de Verblijfswet, noch "het uitvoeringsbesluit", expliciet lijken te voorzien in "een, zelfs precair, verblijfsrecht, nadat de aanvraag op grond van art. 9ter ontvankelijk is bevonden". Het KB van 17 mei 2007 is evenveel waard is als het Verblijfsbesluit van 8 oktober 1981; beide zijn uitvoeringsbesluiten van de Verblijfswet, en het KB van 17 mei 2007 voorziet een precair verblijfsrecht bij een ontvankelijk verklaarde 9ter-aanvraag.
  3. In het arrest nr. 221.518 stelt de RvS effectief en terecht dat het een AI op basis van een ontvankelijk verklaarde 9ter-aanvraag niet kan beschouwen als een toelating of machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden. De Wet gewaarborgde gezinsbijslag vereist echter niet dat de vreemdelingen een toelating of machtiging tot verblijf heeft van "meer dan drie maanden", wel dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag toegelaten of gemachtigd is om in België te verblijven of zich er te vestigen.
  4. Uit de voorbereidende werken bij artikel 1 van de Wet gewaarborgde gezinsbijslag, blijkt dat het volstaat wanneer het verblijf van de aanvrager van vreemde nationaliteit “regelmatig” is (Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 242 tot wijziging van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde kinderbijslag, BS 13 januari 1984, 379). Ook de vaststelling onder punt c, namelijk dat de wet een toelating of machtiging om in België te verblijven of er zich te vestigen vereist, en geen toelating of machtiging van meer dan drie maanden, wijst hierop.
  5. Het HvC stelt in arrest S.95.0118.N van 13 mei 1996 enkel dat asielzoekers niet, zoals vluchtelingen, zijn vrijgesteld van de voorwaarde van verschillende jaren voorafgaand en ononderbroken verblijf in België. Dit wordt in het geding voor het Brusselse Arbeidshof echter niet betwist.

Tot slot wijzen we op de arresten C.08.0115.N en C.07.0641.N van 20 februari 2009 van het Hof van Cassatie met betrekking tot voorlopige verblijfsvergunningen tijdens de asielprocedure, in het kader van de nationaliteitswetgeving. Volgens het HvC zijn de periodes waarvoor een vreemdeling beschikt over voorlopige verblijfsvergunningen of een toelating om voorlopig in het land te verblijven, in casu op basis van een hangende asielprocedure (AI) of een hangend schorsend beroep (bijlage 35), gedekt door een wettig verblijf.