10 februari 2017

In een arrest van de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, is het Hof teruggekomen op een eerdere uitspraak in de zaak Paradiso en Campanelli t. Italië. In Italië kan er geen afstammingsband gevestigd worden door middel van draagmoederschap. Dat is namelijk strijdig met de Italiaanse adoptiewetgeving en het verbod op artificiële voortplanting, De Italiaanse overheid kan daarom, met het oog op de behartiging van de belangen van kinderen, legitiem weigeren om de gevolgen van een buitenlandse draagmoederschapovereenkomst in haar rechtsorde erkennen.

Feiten en procedurevoorgaanden

Een Italiaans echtpaar sloot in Rusland een draagmoederschapsovereenkomst. Na de geboorte van het kind, vermeldt de burgerlijke stand in Rusland de wensouders als ouders op de geboorteakte. Met deze akte in de hand, keert het drietal terug naar Italië. De Italiaanse overheid weigerde echter om het kind in te schrijven onder de naam van de wensouders. Bovendien besluiten de autoriteiten het kind, zonder formele identiteit, te plaatsen en op te geven voor voogdij, en later adoptie, aan andere kandidaat-ouders.

Analyse van het EHRM

Terwijl in de eerste uitspraak het Hof tot de conclusie kwam dat de Italiaanse autoriteiten het recht op eerbiediging van het familieleven zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM wél schonden, oordeelde de Grote Kamer in haar recente uitspraak dat de Italiaanse overheid artikel 8 niet schond.

In feite is er in dit geval immers geen sprake van een werkelijk familieleven, gezien het gebrek aan biologische afstamming, de korte duur van hun feitelijke samenzijn en de onzekere juridische band tussen de wensouders en het kind. In dat opzicht is artikel 8 dus niet van toepassing, ondanks het ouderschapsproject en de emotionele band tussen ouders en kind. Anders is het wanneer men de situatie toetst aan het recht op eerbiediging van hun privé-leven. Dat aspect van artikel 8 is namelijk wel van toepassing, maar de inbreuk daarop is niet disproportioneel, aldus het Hof.

Gezien de zaak betrekking heeft op een gevoelig ethisch thema waarover geen consensus bestaat in Europa, zoals draagmoederschap, stelt het Hof dat de Italiaanse autoriteiten een ruime beleidsvrijheid genieten. Hoewel de scheiding tussen de wensouders en het kind een enorme impact op het privé-leven van de betrokkenen heeft, zou de scheiding met de wensouders niet tot onherstelbare trauma’s bij het kind leiden. In dit geval weegt het publieke belang zwaarder door. De Italiaanse regels trachten immers vrouwen en kinderen te beschermen tegen ongeoorloofde praktijken zoals mensenhandel die met draagmoederschap gepaard kunnen gaan. Indien men het kind bij het echtpaar zou hebben laten blijven, zou dat neerkomen op het legaliseren van een situatie die de wensouders duidelijk in strijd met die fundamentele regels van het Italiaanse recht, hadden gecreëerd. Kortom, het EHRM ziet er geen graten in dat de Italiaanse autoriteiten draagmoederschap verbieden en het kind voor adoptie aanbieden.