13 april 2017

De maximumtermijn voor een huwelijksvoltrekking wordt verlengd indien de ambtenaar (en het parket) de beslissing over het huwelijk uitstelt, zodat huwelijkskandidaten niet sowieso een nieuwe huwelijksaangifte moeten doen. Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in haar arrest van 17 maart 2017 waarin ze zich, naar aanleiding van een aantal prejudiciële vragen, buigt over de grondwetsconforme interpretatie van artikel 165 §3 en artikel 167, lid 2 en lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 165 BW voorziet dat men het huwelijk moet voltrekken, ten vroegste 14 dagen na de opmaak van de huwelijksaangifte, en ten laatste 6 maanden en 14 dagen na die huwelijksaangifte. Tegelijkertijd bepaalt artikel 167 lid 2 BW dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de beslissing om het huwelijk te voltrekken, kan uitstellen met maximum 2 maanden na de voorgenomen huwelijksdatum. De Procureur des Konings kan daar een extra 3 maanden uitstel aan toevoegen. Indien de ambtenaar weigert om het huwelijk te voltrekken, kan men binnen de maand hiertegen beroep aantekenen (artikel 167 lid 6 BW) en aan de rechter vragen om de huwelijkstermijn van 6 maand en 14 dagen te verlengen (artikel 165 §3 BW).

Indien de huwelijkskandidaten een huwelijksdatum voorzien, later dan 1 maand en 14 dagen na de huwelijksaangifte, kan de situatie zich dus voordoen dat de ambtenaar zijn beslissing over de huwelijksvoltrekking uitstelt, en deze pas neemt nadat de termijn van 6 maanden en 14 dagen is verstreken. Moeten de huwelijkskandidaten dan een nieuwe huwelijksaangifte doen, ook al oordeelde de ambtenaar van de burgerlijke stand gunstig?

Ook als de ambtenaar van de burgerlijke stand uiteindelijk weigert het huwelijk te voltrekken, is het goed mogelijk dat de kennisgeving daarvan de huwelijkskandidaten pas bereikt nadat de termijn van 6 maanden en 14 dagen al is verstreken. De ambtenaar moet zijn beslissing immers maar geven, uiterlijk binnen de 5 maanden na de voorgenomen huwelijksdatum. Artikel 165 BW voorziet de mogelijkheid om, als men in beroep gaat tegen de weigeringsbeslissing, aan de rechter een verlenging van deze termijn te vragen. Maar kan men die verlenging nog wel vragen indien de oorspronkelijke termijn van 6 maanden en 14 dagen al verstreken is?

De rechtbank van eerste aanleg van Namen stelde hierover een aantal prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. In haar antwoord stelt het Hof dat de rechter de artikelen 165 en 167 BW zo moet interpreteren dat, als de ambtenaar van burgerlijke stand en eventueel de Procureur des Konings, het huwelijk uitstellen, dit ook betekent dat de maximale termijn voor het voltrekken van het huwelijk wordt verlengd. De termijn van 6 maanden en 14 dagen wordt met name opgeschort totdat de ambtenaar beslist om het huwelijk te aanvaarden, of totdat de rechter zich kan uitspreken over een verlenging.

Een andere interpretatie van artikelen 165 BW en 167 BW creëert een ongerechtvaardigde ongelijkheid voor huwelijkskandidaten die een latere huwelijksdatum kiezen, en ontneemt hen de mogelijkheid een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen tegen een weigeringsbeslissing. Het heeft immers geen zin om een weigeringsbeslissing van de ambtenaar voor de rechter aan te vechten, indien men nadien alsnog een nieuwe huwelijksaangifte dient te doen.