11 juli 2017

In een vonnis van 21 juni 2017 vernietigt de arbeidsrechtbank van Gent, afdeling Roeselare, de weigeringsbeslissing van Fedasil tot opheffing van de verplichte plaats van inschrijving (code 207) voor opvang van een asielzoeker die een code 'no show' had gekregen. De Opvangwet voorziet dat de code 207 in bijzondere omstandigheden kan worden opgeheven, maar Fedasil liet in de weigeringsbeslissing na te motiveren waarom deze bijzondere omstandigheden in deze zaak niet aanwezig waren.

Feiten

Een Irakese vrouw kwam eind 2014 naar België met een humanitair visum. Dit liet haar toe te wonen bij haar familie die in België een beschermingsstatuut had bekomen. Zij ontving een verblijfskaart voor 1 jaar. De eigenaar van de woning liet echter weten dat er te weinig plaats was in de woning en dat zij diende te verhuizen. Zij verhuisde en vroeg OCMW-steun aan om de huur te kunnen betalen. In maart 2016 besliste Dienst Vreemdelingenzaken tot intrekking van haar verblijfstitel omdat een verblijfsmachtiging op grond van een humanitair visum niet verenigbaar is met het ontvangen van OCMW-steun. In april 2016 diende mevrouw een asielaanvraag in omdat zij niet kon terugkeren naar Irak. Zij kreeg op het moment van die asielaanvraag een opvangplaats aangeboden door Fedasil omdat zij daar tijdens de asielprocedure recht op heeft. Mevrouw gaf echter aan dat zij in de buurt van haar familie wilde blijven wonen, waardoor ze een code 207 'no show' toegewezen kreeg. Hiermee wordt uitgedrukt dat ze geen gebruik wenst te maken van de materiële opvang en dat zij enkel recht heeft op de terugbetaling van de medische kosten door Fedasil. Ook een tussenkomst van het OCMW is in dit geval uitgesloten.

Einde juni 2016 vroeg mevrouw een opheffing van deze code 207 'no show' aan bij Fedasil, wat haar in staat moest stellen toch OCMW-steun te krijgen. Artikel 13 van de Opvangwet laat immers een opheffing van de verplichte plaats van inschrijving (uitgedrukt door de code 207 in het wachtregister) toe in bijzondere omstandigheden. Maar Fedasil weigerde deze aanvraag, omdat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden. De vrouw ging in beroep tegen deze beslissing.

Motivering arbeidsrechtbank

Schending van de motiveringsplicht

De arbeidsrechtbank is van mening dat Fedasil in deze beslissing haar motiveringsplicht schendt. De bestreden beslissing is immers een “bestuurshandeling” in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991, die bijgevolg:

  • uitdrukkelijk en voldoende gemotiveerd moet worden,
  • blijk moet geven van de concrete elementen die tot de beslissing hebben geleid,
  • duidelijk moet zijn,
  • moet toelaten om te weten waarom de beslissing werd genomen,
  • en waarvan de motivering evenredig moet zijn met de belangrijkheid van de genomen beslissing en de aard van de bevoegdheid van de overheid.

In de beslissing geeft Fedasil aan dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden maar zij motiveert niet waarom dat in casu zo is. De rechter is van oordeel dat Fedasil zich heeft beperkt tot een stereotype formulering zonder concrete toelichting op de voorliggende feiten. De beslissing wordt daarom nietig verklaard.

Geen discretionaire bevoegdheid voor Fedasil bij opheffing code 207

Fedasil beschikt volgens de rechter niet over een discretionaire bevoegdheid voor het nemen van een beslissing over toepassing van artikel 13 van de Opvangwet. Artikel 13 Opvangwet bepaalt dat de code 207 kan opgeheven worden in bijzondere omstandigheden en dat de Koning de procedure verder dient uit te werken. Tot op heden werd er echter nog geen uitvoeringsbesluit genomen. Er zijn wel instructies van Fedasil van 24 oktober 2007 die in afwachting van het koninklijk besluit werden opgesteld. Deze verwijzen hoofdzakelijk naar een aantal voorbeelden die in de voorbereidende werken van de opvangwet werden aangehaald.

De rechter merkt op dat er uit geen enkel element blijkt dat het de bedoeling zou geweest zijn van de wetgever om Fedasil in alle vrijheid te laten beslissen over wat zij wel of niet als bijzondere omstandigheden aanziet. Door het voorzien van de uitwerking bij uitvoeringsbesluit was het net de bedoeling om een preciezer kader te scheppen. Gezien een discretionaire bevoegdheid de uitzondering is op de regel en er geen enkele aanwijzing is dat Fedasil die zou gekregen hebben, moet er uitgegaan worden van een gebonden bevoegdheid. Dit betekent dat de arbeidsrechtbank - na vaststelling van de nietigheid - zelf ook verder kan oordelen of de opheffing al dan niet had moeten worden toegestaan.

Over het toestaan van de opheffing

De arbeidsrechtbank is van mening dat de situatie van mevrouw niet beantwoordt aan “bijzondere omstandigheden”, noch dat er sprake is van een ongeoorloofde inperking van haar recht op een gezinsleven zoals uiteengezet door de Opvangwet en de voorbereidende werken. Hierbij worden volgende elementen in overweging genomen:

  • Mevrouw woont niet bij haar familieleden in en zij bewijst niet dat dit onmogelijk zou zijn, hetzij door de vraag van de huiseigenaar om te verhuizen, hetzij omdat zij niet allen samen naar een andere woning zouden kunnen verhuizen. De voorbereidende werken bij de Opvangwet vermelden als voorbeeld een asielzoeker die in België bij een gezinslid met een gunstiger statuut kan gaan inwonen.
  • Bovendien staat het nog niet vast dat, als mevrouw ingaat op het aanbod van materiële opvang, zij toch niet in staat zal zijn om vanuit haar opvangplaats contacten te onderhouden met haar  familie.

Mevrouw heeft volgens de rechtbank dus drie opties:

  • samen met haar familie verhuizen naar een woning die voldoende groot is,
  • alleen blijven wonen zonder steun van het OCMW,
  • of ingaan op het aanbod van een opvangplaats van Fedasil.

De rechtbank vernietigt, bij vonnis van 21 juni 2017, de beslissing van Fedasil wegens schending van de motiveringsplicht, maar zegt ook voor recht dat de elementen die mevrouw naar voor brengt geen bijzondere omstandigheden zijn die een opheffing van de code 207 mogelijk maken in de zin van artikel 13 van de Opvangwet.

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen