Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
183.665
Imam – Turkije – visum type D – art. 9 Vw. – bedienaar van een eredienst – niet-erkende moskee – geen aanstelling door Moslimexecutieve – discretionaire bevoegdheid – geen systematische toekenning visa – buitenlandse overheidsinmenging in Belgische interne aangelegenheden – antwoord op parlementaire vraag heeft geen bindende kracht – geen vaste gedragslijn administratieve praktijk – vertrouwensbeginsel – benoeming door nationale overheid volstaat niet – redelijke termijn – vrijheid van godsdienst – art. 191 GW – verzoeker valt niet onder toepassingsgebied Belgische Grondwet – EVRM – art. 9 EVRM – eerste toelating – geen inmenging – geen uitoefening van rechtsmacht – gelijkheidsbeginsel – objectief criterium – redelijk gerechtvaardigd - verwerping

In casu stelt de Raad vast dat de bestreden beslissing afdoende werd gemotiveerd en de verzoeker in kennis stelt van de redenen waarom de verwerende partij, in de uitoefening van haar door artikel 9 van de vreemdelingenwet toegekende discretionaire bevoegdheid, het gevraagde visum heeft geweigerd. In de bestreden beslissing wordt met name gesteld dat de verzoeker niet officieel als imam kan worden aangesteld door de Belgische staat, nu de verzoeker een activiteit als imam wenst uit te oefenen in een moskee die niet erkend is door de bevoegde Belgische overheid en de Belgische Moslimexecutieve in dat geval de aanvraag tot aanstelling als imam enkel kan ondersteunen.

 

Verzoeker is echter van oordeel dat deze motivering onvolledig is omdat deze motivering hem niet in staat stelt te begrijpen “waarom [hem] het visum geweigerd werd, terwijl in vergelijkbare omstandigheden, andere visa uitgereikt werden”. Verzoeker preciseert dat “tot onlangs” imams aangesteld bij zowel erkende als niet-erkende moskeeën een visum konden bekomen en dat de verwerende partij in de bestreden beslissing haar gedragswijziging diende te motiveren.

 

Verzoeker beroept zich op het antwoord uit een parlementaire vraag van 23 november 2005 - die hij bij zijn verzoekschrift voegt (Vr. en Antw. Kamer 2005-2006, 14 februari 2006, nr. 3-60, 5475 (Vr. nr. 3-3801 – Mevr. Jansegers)) - om de vroegere gedragslijn van de verwerende partij inzake visa die ingediend worden door imams te duiden. Hij is van oordeel dat uit het antwoord op de parlementaire vraag blijkt dat om een visum als imam te bekomen, de aanvrager hetzij door de Moslimexecutieve van België hetzij door zijn nationale overheid dient te worden aangesteld. De Raad wijst erop dat de verzoeker zich baseert op een partiële lezing van de parlementaire vraag in kwestie en het hierop verschafte antwoord.

 

De Raad merkt op dat voormelde parlementaire vraag, die verschillende subvragen bevat, enerzijds betrekking heeft op statistieken omtrent het aantal verblijfsvergunningen dat werd toegekend aan buitenlandse imams in het kader van de uitoefening van hun religieus ambt in België, en anderzijds op de documenten die in aanmerking worden genomen als bewijs van het feit dat betrokkenen een religieuze opleiding hebben genoten. Op de vraag “Welke documenten worden in aanmerking genomen als bewijs van het feit of de betrokkenen al dan niet een religieuze opleiding hebben genoten, welk soort instellingen worden met andere woorden in aanmerking genomen en welke niet om zulke bewijzen af te leveren ? “ luidt het antwoord: “ De door betrokkene voor te leggen documenten: -Een benoeming van de imam door zijn nationale autoriteiten of de Moslimexecutieve van België; […] “.

 

De Raad stelt vast dat, al vraagt de verwerende partij het bewijs dat een imam die een visum wenst te verkrijgen teneinde zijn ambt in België uit te oefenen een religieuze opleiding heeft genoten, en al kan de betrokken imam dit bewijs leveren middels een benoeming door zijn nationale autoriteiten of door de Moslimexecutieve van België, er in voormeld antwoord niet kan worden gelezen dat de toekenning van een visum “systematisch” zou zijn vanaf deze verkregen benoeming.

 

In elk geval, de verzoeker volgen in zijn redenering betekent dat een loutere aanstelling van een vreemdeling door zijn nationale overheid, met het oog op diens zending als bedienaar van een eredienst naar een geloofsgemeenschap in België, als gevolg zou hebben dat de verwerende partij verplicht is om ipso facto een visum af te leveren aan de betrokkene. Daardoor wordt verwerende partij aldus elke discretionaire bevoegdheid ontnomen, hetgeen manifest in strijd is met artikel 9 van de vreemdelingenwet. Deze redenering zou er tevens toe leiden dat de Raad een buitenlandse overheidsinmenging zou toestaan in Belgische interne aangelegenheden, hetgeen een ontkenning betreft van het beginsel van de staatssoevereiniteit wat de Raad niet kan toelaten.

 

Hoe dan ook dient eraan te worden herinnerd dat een antwoord op een parlementaire vraag geen bindende kracht heeft en voornamelijk als doel heeft om het parlement op de hoogte te stellen van de handelingen van een regering, teneinde haar toe te laten controle uit te oefenen op deze handelingen. Met andere woorden, het verschafte antwoord betreft de veruitwendiging van het standpunt van een minister, met betrekking tot een bepaald onderwerp op een bepaald moment (zie hieromtrent: RvS 25 mei 2010, nr. 204.206; RvS 8 mei 2014, nr. 227.330 en RvS 4 december 2001, nr.101.470).

 

Tot slot kan worden opgemerkt dat, zelfs indien het antwoord op een parlementaire vraag opheldering zou kunnen geven omtrent een bepaald rechtspunt, een dergelijk antwoord op zich niet kan leiden tot een juridisch kader waarbij er sprake is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij terwijl artikel 9 van de vreemdelingenwet per definitie gepaard gaat met een discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij.

 

De Raad herinnert er voorts aan dat, indien de verzoeker zich wenst te beroepen op het bestaan van een vaste administratieve praktijk van een overheid in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid, het hem in de eerste plaats toekomt om met voldoende zekerheid het bestaan van deze vaste administratieve praktijk aan te tonen, alsmede de redenen uiteen te zetten waarom hij meent hierop beroep te kunnen doen. Verzoeker toont echter niet aan dat de gedragslijn waarop hij zich beroept en die in 2005 tot uiting zou zijn gekomen, van toepassing was tot op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing in september 2016.

 

In casu wordt door de verwerende partij niet betwist dat in het verleden visa werden toegekend aan buitenlandse imams die werden gezonden naar zowel erkende als niet-erkende moskeeën. De Raad stelt echter vast dat de verzoeker in gebreke blijft om op voldoende nauwkeurige wijze aan te tonen dat er in dit verband sprake is van een administratieve praktijk die van toepassing was tot op het moment van het treffen van de bestreden beslissing. Er is dan ook geen grondslag voor verzoekers verwachting dat de verwerende partij diende te motiveren in de bestreden beslissing waarom zij is afgeweken van een “vaste” gedragslijn.

 

Verzoeker beweert dat “Tot onlangs konden de imams aangesteld bij zowel erkende als bij niet-erkende moskeeën, een visum bekomen”, doch hij laat na om hieromtrent verdere toelichting te geven, meer bepaald te duiden tot wanneer de verwerende partij dergelijke gedragslijn aanhield. Voor zover verzoeker beoogt deze praktijk te kunnen staven door een document, toegevoegd aan zijn verzoekschrift, die een lijst bevat van enkele niet-erkende Turkse moskeeën die in het verleden beroep konden doen op de diensten van een buitenlandse imam, merkt de Raad op dat uit een dergelijke lijst niet kan worden afgeleid wanneer, om welke redenen en voor welke termijn de visa werden uitgereikt aan de betrokkenen.

 

Tijdens de terechtzitting van 18 januari 2016 verwijst de raadsvrouw van verzoeker naar het antwoord op de parlementaire vraag nr. 68 van 16 maart 2015 en stelt zij dat de Nederlandstalige verweernota in zaak met rolnummer 195.743 hiervan geen melding maakt, terwijl dit wel wordt vermeld in de Franstalige verweernota’s in de zaken met rolnummers 196.184 en 196.186.

 

Nu de raadsvrouw het antwoord op de parlementaire vraag van 2015 zelf in de debatten heeft gebracht vraagt de eerste voorzitter van de Raad aan de raadsvrouw hierover een standpunt in te nemen. Deze vraag blijft in de verdere pleidooien onbeantwoord.

 

De Raad stelt vast dat in het antwoord op deze parlementaire vraag van 16 maart 2015, die dateert van vóór de indiening van verzoekers visumaanvraag op 11 september 2015, het volgende wordt vermeld: “Indien de aanvrager een imam is, gaat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) meer in het bijzonder na: - of de moskee waar hij zijn activiteiten zal uitoefenen, erkend is door het bevoegde Gewest en of de imam een betrekking zal uitoefenen binnen het kader dat de FOD Justitie voor deze moskee geopend heeft;” (Vr. en Antw. Kamer 2014-2015, 16 maart 2015, nr. 54/016, 255 (Vr. nr. 68 M. De Coninck)).

 

Dit antwoord weerlegt het bestaan van een zogenaamde gedragslijn van de verwerende partij, waarop de verzoeker zich meent te kunnen beroepen in zijn betoog met betrekking tot imams die hun ambt wensen uit te oefenen in een niet-erkende moskee. Minstens weerlegt dit antwoord dat er sprake is van een door de verzoeker geschetste gedragslijn tot op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing.

 

De Raad wijst er eveneens op dat uit de lezing van voormeld antwoord blijkt dat “Het aantal machtigingen tot verblijf die de laatste drie jaar aan imams werden toegekend, […] beperkt [is]”. Indien de verzoeker uit parlementaire vragen een bron van informatie meent te kunnen afleiden omtrent een bepaalde gedragslijn die de verwerende partij heeft aangenomen, dan kan hieruit enkel worden besloten dat hij toegang had tot deze informatiebron en aldus behoorde te weten wat het beleid was van de verwerende partij inzake de toekenning van visa aan imams vooraleer ze de bestreden beslissing trof. Verzoeker was aldus in staat om te anticiperen op de eventuele reactie van de verwerende partij aangaande zijn visumvraag. Waar verzoeker, in het vierde onderdeel van het enig middel, de schending aanvoert van de transparantieplicht, volstaat de vaststelling dat omwille van het hierboven gestelde, hij deze schending niet dienstig kan aanvoeren.

 

Verzoeker die gans zijn betoog baseert op een administratieve praktijk van 2005, kan er verder niet aan voorbijgaan dat, in gevolge de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, de bevoegdheden van de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten, werden overgeheveld naar de gewesten en dat vanaf dat moment, de bevoegde gewestelijke overheden verschillende maatregelen hebben aangenomen, met name: 1) het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2005 houdende vaststelling van de criteria voor de erkenning van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten (BS 16 december 2005); 2) het besluit van de Waalse Regering van 13 oktober 2005 tot inrichting van de comités belast met het beheer van de temporaliën van de erkende islamitische gemeenschappen (BS 27 oktober 2005) en 3) het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 februari 2007 met betrekking tot de erkenningsaanvragen voor de islamitische gemeenschappen en de machtiging tot oprichting van de islamitische comités (BS 16 februari 2007).

 

De Raad stelt ten slotte vast dat de verzoeker niet met concrete gegevens aantoont dat de gemachtigde thans, in een identieke feitelijke en juridische context, visa aflevert aan andere Turkse imams met het oog op het uitoefenen van hun religieus ambt in niet-erkende moskeeën.