Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
189.793
BGV met vasthouding – Soedan – Darfour - UDN – art. 3 EVRM – Eurodac hit met Italië – onduidelijkheid naar welk land de verzoekende partij overgedragen of gerepatrieerd zal worden – duidelijkheid verschaffen - MTHEN - schorsing

Niettegenstaande dat er momenteel nog geen repatriëring is voorzien, kan in deze stand van het geding, gelet op de beschikbare informatie, niet uitgesloten worden dat de verzoekende partij niet naar Soedan gerepatrieerd wordt. Er is minstens heden onduidelijkheid naar welk land de verzoekende partij overgedragen of gerepatrieerd zal worden: Italië of Soedan. Daarenboven wordt in de nota met opmerkingen niet betwist dat de verzoekende partij naar Soedan gedwongen verwijderd wordt. Gelet op de recente rapporten van internationale organisaties die de verzoekende partij toevoegt aan haar verzoekschrift en het gegeven dat in casu indicaties zijn dat de verzoekende partij een verzoek om internationale bescherming in Italië ingediend heeft, gelet op de code van de Eurodac-Hit, meent de Raad dat de door de verzoekende partij voorgelegde stukken, voldoende concrete gegevens bevatten die een zorgvuldig en nauwkeurig onderzoek vereisen in het licht van artikel 3 van het EVRM. Het komt aan de Raad niet toe hieromtrent enig onderzoek te doen. In deze benadrukt de Raad dat in het licht van artikel 3 van het EVRM, er in hoofde van de gemachtigde bij het uitvoeren van een gedwongen verwijdering de plicht rust om een zo nauwkeurig mogelijk onderzoek te verrichten van gegevens die wijzen op een reëel risico van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling (cf. EHRM 15 november 1996, nr. 22414/93, Chahal v. Verenigd Koninkrijk, par. 96; EHRM 11 juli 2000, nr. 40035/98, Jabari v. Turkije, par. 39; EHRM 12 april 2005, nr. 36378/02, Shamayev e.a. v. Georgië en Rusland, par. 448). Daar op het eerste gezicht nog onvoldoende onderzoek werd gevoerd naar het actueel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM ten aanzien van Soedan, terwijl artikel 3 van het EVRM een zorgvuldig onderzoek vereist, lijkt de verzoekende partij bijgevolg in deze fase van het geding een verdedigbare grief gegrond op artikel 3 van het EVRM te hebben.

 

Voorts wijst de Raad er de verwerende partij ook op bij het gedwongen uitvoeren van een bevel om het grondgebied te verlaten aan de verzoekende partij duidelijkheid dient te verschaffen omtrent het land waarnaar zij zal verwijderd worden, zodat zij in de mogelijkheid is een daadwerkelijk verweer te voeren tegen de bestreden beslissing in het licht van artikel 3 van het EVRM.