Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
185.649
Gezinshereniging – ouder van een Belgisch kind – BGV – art. 40ter Vw. – art. 8 EVRM – gezinscel – affectieve en financiële banden - verwerping

Samen met de verwerende partij in de bestreden beslissing stelt de Raad vast dat verzoeker zich

niet bij zijn Belgische dochter heeft gevoegd. Aangezien vader en kind op een verschillend adres

wonen, oppert de gemachtigde van de staatssecretaris in de beslissing “dat dient aangetoond te worden

dat betrokkene of figuurlijke wijze zijn kind komt vervoegen of begeleiden en er dus sprake is van een

financiële en affectieve band met het kind”.

Met betrekking tot het bewijs van de financiële band wordt vastgesteld dat er slechts twee keer een

minimaal bedrag werd overgemaakt ten behoeve van het kind. De gemachtigde van de staatssecretaris

overweegt dat “(g)ezien overeenkomstig de gegevens van het rijksregister betrokkene nooit officieel

samenwonend is geweest met het kind en het kind reeds geboren is in 2012 kan bezwaarlijk gesteld

worden dat twee keer geld overmaken voldoende is om van een financiële band te kunnen spreken.”

Ook wat het bewijs van de affectieve band betreft lijken de bewijzen slechts summier te zijn omdat “(u)it

de foto's (…) slechts een zeer occasioneel treffen tussen betrokkene en kind (kan) worden vastgesteld.

(…). Er werd beslist dat de contacten aanvankelijk moeten plaastvinden in een bezoekersruimte. Dit

dient als een expliciet aanwijzing te worden beschouwd van de relatie tussen vader en kind: kennelijk is

het kind helemaal niet vertrouwd met de vader, waardoor een nog een relatie moet worden opgebouwd

in zo'n bezoekersruimte. (…) In hoeverre het contact tussen betrokkene en kind nu daadwerkelijk plaats

vindt, kan bijgevolg niet worden besloten uit de voorgelegde documenten. (…) Ongeacht zijn beweegredenen is er nauwelijks contact tussen betrokkene en het kind, derhalve kan ervan een

affectieve band geen sprake zijn.” Op basis van deze overwegingen besloot de gemachtigde van de

staatssecretaris om het recht op verblijf van meer dan drie maanden in hoofde van verzoeker te

weigeren.

 

In een eerste middelonderdeel gaat verzoeker in op het ontbreken van een financiële band met

zijn dochter. Volgens verzoeker blijkt onder andere uit attesten van het OCMW en aanslagbiljetten van

de fiscus (Verzoekschrift, bijlagen 14 en 15) dat hij niet over voldoende bestaansmiddelen beschikte,

waardoor zijn financiële ondersteuning noodgedwongen beperkt bleef tot een storting van 20 euro op 23

april 2016 en een storting van 75 euro op 3 juni 2016. Ook wijst verzoeker erop dat hij op 5 augustus

2016 100 euro van zijn loon zou hebben gestort op de rekening van zijn dochter (Verzoekschrift,

bijlagen 7 en 13), waardoor het onredelijk zou zijn om te beslissen dat er geen financiële band zou

bestaan.

De Raad merkt echter in de eerste plaats op dat verzoeker nergens de vaststelling van de gemachtigde

van de staatssecretaris betwist of weerlegt dat hij op een ander adres woont dan zijn jonge dochter. Het

is juist omwille van het feit dat verzoeker zijn Belgische dochter niet ‘letterlijk’ heeft vervoegd door

daadwerkelijk in gezinsverband te leven, dat in de beslissing wordt gesteld “dat dient aangetoond te

worden dat betrokkene of figuurlijke wijze zijn kind komt vervoegen of begeleiden en er dus sprake is

van een financiële en affectieve band met het kind”. Door thans zijn beklag te doen over zijn financiële

situatie toont verzoeker niet aan dat de gemachtigde van de staatssecretaris de aangevoerde

wetsartikelen zou hebben miskend of kennelijk onredelijk of onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan door

enerzijds te vereisen dat hij een financiële band aantoont met zijn Belgische dochter en anderzijds vast

te stellen dat er van een dergelijke financiële band geen sprake is omdat er voor de dochter, die in 2012

geboren is en ondertussen bijna 5 jaar oud is, slechts twee maal een zeer beperkt bedrag werd

overgemaakt.

Vervolgens stipt de Raad aan dat verzoeker in zijn middel zijn financiële situatie toelicht aan de hand

van stukken die nooit eerder aan het oordeel van de gemachtigde van de staatssecretaris werden

voorgelegd en dat de storting van 5 augustus 2016 dateert van na de bestreden beslissing. Verzoeker

kan in de bestreden beslissing geen motiveringsgebrek aannemelijk maken of kan de gemachtigde van

de staatssecretaris geen onzorgvuldigheid verwijten door zich te baseren op stukken die nooit eerder

werden neergelegd. De Raad kan hierop evenmin acht slaan, aangezien hij de regelmatigheid van een

bestuurshandeling dient te beoordelen in functie van de gegevens waarover het bestuur ten tijde van het

nemen van zijn beslissing kon beschikken om deze beslissing te nemen (RvS 2 juli 2008, nr. 2.982 (c)).

 

Daarnaast gaat verzoeker in op het gebrek aan bewijs van een affectieve band. Verzoeker

beweert dat in de bestreden beslissing wordt veronachtzaamd dat hij samenwoonde met zijn dochter

gedurende haar eerste 2,5 levensjaren, maar dat hij door de moeder van zijn kind uit het huis werd

gezet en dat het sindsdien bijna onmogelijk was zijn affectieve band verder uit te bouwen tenzij via

gerechtelijke weg. Volgens verzoeker worden ook de getuigenissen die hij heeft bijgebracht helemaal

niet in de beoordeling betrokken. De Raad stelt vast dat verzoekers blote bewering, dat hij in het

verleden zou hebben samengewoond met zijn dochter, nergens met concrete gegevens wordt

ondersteund. Een eventuele samenwoonst in het verleden betekent ook niet dat verzoeker, die op 5

februari 2016 een aanvraag indiende, nog steeds een actuele affectieve band met zijn Belgische

dochter onderhoudt. Verzoeker betwist trouwens niet dat er nauwelijks contact is geweest tussen hem

en zijn dochter. De vereiste van het bewijs van een affectieve band indien er geen samenwoonst is,

maakt, zoals overigens in de bestreden beslissing wordt aangehaald, abstractie van de beweegreden

voor een eventueel gebrek aan contact. Het gegeven dat verzoeker interesse zou tonen om in contact te

komen met zijn dochter en dat verzoekers ex-vriendin deze contacten zou tegenwerken, doet geen

afbreuk aan de vaststelling dat er nauwelijks contacten zijn. In de bestreden beslissing wordt op grond

van de neergelegde stukken het volgende overwogen: “Uit de foto’s kan slechts een zeer occasioneel

treffen tussen betrokkene en kind worden vastgesteld. Het doopselattest vertelt niets over de relatie

tussen vader en kind”. In “het vonnis van de rechtbank (…) werd beslist dat de contacten aanvankelijk

moeten plaastvinden in een bezoekersruimte. Dit dient als een expliciet aanwijzing te worden

beschouwd van de relatie tussen vader en kind: kennelijk is het kind helemaal niet vertrouwd met de vader, waardoor een nog een relatie moet worden opgebouwd in zo’n bezoekersruimte”. Verder wordt

gesteld dat “uit de voorgelegde documenten” niet (kan) worden besloten” “(i)n hoeverre het contact

tussen betrokkene en kind hu daadwerkelijk plaats vindt”. Er werd bij de beoordeling in weerwil van

verzoekers beweringen wel degelijk rekening gehouden met de neergelegde getuigenverklaringen,

aangezien wordt gesteld dat “(a)lle andere 'getuigenissen van privé-personen die getuigen van de

interesse van betrokkene in zijn kind, (…) geen afbreuk (doen) aan deze vaststelling”. De Raad

concludeert dat verzoeker niet kan worden gevolgd dat de gemachtigde van de staatssecretaris

kennelijk onredelijk of onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan of de beslissing niet afdoende zou hebben

gemotiveerd door op grond van zijn vaststellingen te concluderen dat “(o)ngeacht zijn beweegredenen is

er nauwelijks contact tussen betrokkene en het kind, derhalve kan ervan een affectieve band geen

sprake zijn.”