Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
186.295
Art. 9bis Vw. – onontvankelijk – buitengewone omstandigheden – ruime beleidsvrijheid – steeds samengewoond met Belgische kinderen – vier jaar legaal verblijf – onredelijk om behoud banden met België in vraag te stellen louter omwille van afwezigheid op het Belgisch grondgebied gedurende een zekere periode – schending redelijkheidsbeginsel – vernietiging

De Raad stelt vast dat de gemachtigde in het supra geciteerde motief stelt dat de aangehaalde elementen geen buitengewone omstandigheden uitmaken, hij stipt daarbij aan dat verzoekster nooit stappen heeft genomen om de Belgische nationaliteit te verwerven, niettegenstaande ze de echtgenote was van een Belgische onderdaan en moeder van twee Belgische kinderen. Volgens de gemachtigde toont verzoekster niet aan dat ze gedurende haar afwezigheid van meer dan dertien jaar banden met België heeft behouden. Daarom meent de gemachtigde dat deze elementen dan ook niet in het voordeel van verzoekster weerhouden kunnen worden. Na het lezen van dit motief, moet verzoekster gevolgd worden waar zij stelt in het kader van de huidige onontvankelijkheidsbeslissing die van oordeel is dat er geen buitengewone omstandigheden zijn aangetoond, dat de gemachtigde hiermee heeft aangegeven dat het aantonen van banden met België in het voordeel van betrokkene kon weerhouden worden, doch dat de gemachtigde dit niet aangetoond acht.

 

Verzoekster voert aan dat zij steeds met haar kinderen heeft samengewoond tijdens haar verblijf in Saoedi-Arabië en Spanje, evenals na de terugkeer naar België en tot op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift. Zij meent dat het duidelijk is dat het samenwonen met twee kinderen die de Belgische nationaliteit hebben gedurende het hele leven, ontegensprekelijk het behoud van banden met België inhoudt, te meer nu dit samenwonen tot op heden voortduurt. In de nota stelt verweerder dienaangaande dat niet dienstig zou kunnen voorgehouden worden dat de loutere samenwoonst met haar Belgische kinderen zou volstaan om te besluiten dat verzoekster gedurende haar dertienjarige afwezigheid banden met België zou behouden hebben.

 

De Raad stelt vast dat verweerder niet betwist dat verzoekster eerst vier jaar legaal in België heeft verbleven als echtgenote van een Belg, dat uit dit huwelijk twee Belgische kinderen zijn voortgekomen, en dat zij steeds met haar ondertussen meerderjarige kinderen heeft gewoond, ook al was dat gedurende verschillende jaren in het buitenland deels als gevolg van het werk van de ex-echtgenoot. De Raad acht het – net als verzoekster – kennelijk onredelijk om het behoud van de banden met België in vraag te stellen louter omwille van de afwezigheid op het Belgisch grondgebied gedurende een zekere periode. Op het ogenblik van de bestreden beslissing verbleef verzoekster wederom in België met haar Belgische kinderen sedert 5 jaar volgend op de terugkeer uit het buitenland. Er blijkt weliswaar niet uit het administratief dossier dat verzoekster heeft getracht de Belgische nationaliteit te verwerven, doch wel dat zij getracht heeft haar verblijf via gezinshereniging te legaliseren dermate dat zij zich niet heeft gewenteld in illegaal verblijf. De Raad acht het in casu kennelijk onredelijk om het hebben van banden met België te reduceren tot een territoriale aanwezigheid op het grondgebied als onbetwist is dat verzoekster moeder is van twee Belgische kinderen, zij daar steeds mee heeft samengewoond waarvan eerst vele jaren op legale basis en zij op het ogenblik van de bestreden beslissing wederom 5 jaar met die Belgische kinderen op Belgisch grondgebied heeft samengewoond.